4.1Financiële entiteiten passen de bij hoofdstuk II ingevoerde regels toe overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, rekening houdend met hun omvang, algehele risicoprofiel en de aard, schaal en complexiteit van hun diensten, activiteiten en verrichtingen.
4.2Daarnaast staat de toepassing door financiële entiteiten van de hoofdstukken III en IV en hoofdstuk V, afdeling I, in verhouding tot hun omvang en algehele risicoprofiel en tot de aard, schaal en complexiteit van hun diensten, activiteiten en verrichtingen, zoals specifiek bepaald in de desbetreffende regels van die hoofdstukken.
4.3De bevoegde autoriteiten houden rekening met de toepassing van het evenredigheidsbeginsel door financiële entiteiten wanneer zij de consistentie van het kader voor ICT-risicobeheer toetsen op basis van de verslagen die op verzoek van de bevoegde autoriteiten krachtens artikel 6, lid 5, en artikel 16, lid 2, zijn ingediend.